Ik ben één van die mensen waarvoor het dagelijkse leven nét iets te langzaam gaat. Als je me ziet gaan is het net of ik altijd haast heb, maar feitelijk ligt het tempo gewoon net iets hoger dan de rest van het gepeupel. Ik heb wel eens geprobeerd mijn tempo aan te passen aan de rest, maar val dan ofwel in slaap óf ik neem geïrriteerd door de saaiheid ervan snel m’n eigen tempo weer aan. Ik heb me er maar bij neergelegd. Als ik nergens door geprikkeld word in m’n omgeving val ik in rust. Zijn er plotseling weer prikkels aanwezig ben ik direct weer op topsnelheid. Ik behoor blijkbaar bij de kleine groep jagers uit de oudheid, die in onze saaie, moderne, door de meerderheid van verzamelaars geordende samenleving overbodig zijn geworden. Het is behelpen, maar met een klein beetje fantasie is het best te doen.
Ik lig al de halve dag, half in de zon, die half door m’n raam schijnt, half languit en half verveeld aan m’n bureau, half te chatten met één van m’n online zijnde matties als plots m’n maag begint te knorren. Opeens ben ik alert en kom ik met een schok volledig overeind. Ik heb niks in huis, dus trek m’n jas aan, type vliegensvlug als afscheid dat ik even wat te eten ga zoeken, en loop naar buiten. Ik heb niet echt een duidelijk beeld van waar ik trek in heb, dus ik moet het met een vage indicatie doen. Het komt het meest in de buurt van Indisch eten, dus zonder al te veel aandacht te trekken loop ik, met m’n mp3 doppen in, richting de Iboe Tjillik : m’n favoriete toko als het om Indisch eten gaat. Halverwege de voettocht weet ik het zeker : Nasi Koening Rames. Gele plakrijst bereid met kokos en wat geheime ingrediënten, opgeleukt met zoetzure vis, tempeh, kouseband en een zeer pittige aubergine. M’n maag begint nu pas echt te knorren en het water begint langzaam in m’n mond te lopen. Zo onopvallend mogelijk versnel ik m’n pas. Ik krijg het al wat warm. Ik heb hier jaren op getraind dus, ook al is het vrij druk op straat, niemand valt iets op. Ik krijg de locatie in zicht en nog steeds versnel ik m’n pas. Hoe dichter ik echter nader hoe meer me opvalt hoe rustig het rond de voederplaats is. Door alleen m’n oogbollen te draaien kijk ik om me heen of mensen m’n paniek opmerken. Geleidelijk aan, om geen slapende honden wakker te maken, breng ik het tempo weer langzaam naar beneden. Terwijl ik ogenschijnlijk nietsvermoedend langs de gesloten voederplaats loop lees ik, weer gebruikmakend van de oogbol techniek, het gele briefje dat met plakband op het raam zit bevestigd : “Gesloten tot 16 Juli.” Alsof er niks aan de hand is loop ik door. Gelukkig heeft niemand iets gemerkt. Ik draai soepel de hoek om en ben weg. Ik passeer daar nog het surinaamse moksie uitgiftepunt, maar dat is om deze tijd sowieso uitgesloten. Dit is een zeer goedkope en populaire plek en voor mij alleen bespreekbaar zo’n twee uur voor standaard nederlandse voedertijd, lang voordat de grote kudde met plebs gearriveerd is. Ik hoef hier gelukkig ook geen moeite te doen om niet gespot te worden want zowel de kudde als de uitgevers zijn druk bezig om het proces zo eerlijk en soepel mogelijk te laten verlopen.
Op naar de tweede toko. Deze locatie is wat linker. Het is een piepklein maar fijn zaakje op een hoek aan een vrij drukke straat, wat in de spits een voordeel kan zijn doordat je je kan verschuilen achter de filerijdende auto’s, maar op een zondag als deze heb je daar niks aan. Hier ben ik gisteravond al ternauwernood ontsnapt, dus vandaag moet ik écht uitkijken. Mijn favoriete gerecht hier is de Udang Djawa. Versgebakken garnalen op een bedje van verschillende indische groentengerechten met een fundering van witte rijst, afgemaakt met wat gebakken uitjes en wat strooikruiden. Tricky part is dat er hier maar één man is die dit gerecht goed kan maken. Z’n vrouw bedoelt het goed, maar maakt het nét niet pittig en smaakvol genoeg, en een andere wat oudere man vergeet z’n ziel en zaligheid erin te leggen en dat proef je. Beide vergeten ook variatie aan te brengen in de groenten en om het gerecht vervolgens af te maken. De truc is dus om erachter te komen of hij zélf aanwezig is. Dit uiteraard zonder gespot te worden. Toen ik gisteravond aan de andere kant van de weg liep zag ik de man voor de deur staan pal naast een auto. Ik nam direct een langzame sluip tred aan om erachter te komen of hij met iemand die in de auto zat stond te praten óf bezig was zelf in de auto te stappen en er vandoor te gaan om op een of andere pasar malam te gaan koken. Z’n vrouw stond vanuit de deuropening met hem te praten en even dacht ik dat ze me zou zien, maar daar ging ik te langzaam voor. Niemand had iets in de gaten. Ze bleven echter maar door praten en ik kon niet goed om de auto heen kijken. De tijd begon te dringen. Uit ervaring weet ik dat als je té langzaam loopt je weer zichtbaar wordt. Even dacht ik nog een extra blokje te moeten maken met het risico verdacht over te komen bij de omwonenden. De oogboltechniek had ik allang achter me gelaten en ik moest m’n hoofd al bijna in een onnatuurlijke positie draaien toen hij ineens instapte. In een flits draaide ik m’n blik weer vooruit en maakte ik dat ik wegkwam. Vroeger ging ik hier nog wel eens brutaal pal voor het raam de menukaart staan bestuderen totdat hij de keuken uit kwam, maar die tijden zijn inmiddels lang vervlogen. Tegenwoordig kennen ze m’n gezicht, dus word ik bij die manoeuvre onherroepelijk gespot, waarna ik niet meer terug kan en thuis een saaie garnaal zit te knagen. Vandaag heb ik een makkie. Van honderden meters afstand zie ik de scootmobiel van de oude man al staan en weet ik dat het mis is. Ik kan dus op veilige afstand passeren. Maar wat nu ?
Om de hoek zit een tentje met de misleidende naam Easywok. Hier hanteert men echter een ingewikkeld nummersysteem waarbij je steeds op nummer wordt afgeroepen om de opnemer of de opschepper van informatie te voorzien, welke deze weer doorgeeft aan de bereider, waarna je weer in de wachtkamer wordt teruggezet, om daar uiteindelijk door de einduitgever met hetzelfde nummer weer uitgeroepen te worden. Bovendien heb ik hier de opschepper al eens betrapt op het tellen der garnalen. Kijk, dat bij een keten als deze er regels zijn die voorschrijven hoeveel dure garnalen er aan het plebs toegedient mogen worden, ok, maar dit mag je nooit of te nimmer laten blijken. Na het scheppen te lang in het bakje blijven kijken om uiteindelijk in het openbaar een garnaal terug naar z’n plaats van herkomst te wippen is voor mij ronduit beledigend. Gelukkig hanteert men hier tijdens de dinerspits dezelfde taferelen als bij de moksie, dus hoef ik deze afweging niet eens te maken en kan ik soepel om de rij heen manouvreren, die zich inmiddels al tot ver op het trottoir heeft uitgebreid.
Dan maar naar de supermarkt en zelf koken. Ik kies de voor mij exotische Hoogvliet. Als ik naar m’n dagelijkse digros zou gaan, zou mijn weekendgevoel helemáál tot een abrupt einde komen. Ik laat me bijna afschrikken door de lange rij, maar zet mezelf hier weer snel overheen nadat ik in gedachten de mislukte voederplaatsen van vandaag de revue nog eens heb laten passeren. Ik druk m’n oordoppen aan, visualiseer twee oogkleppen, haal diep adem en duik de supermarkt in. De clou is hier om geen oogcontact te maken. Gelukkig worden supermarkten vrij koel gehouden en verdwijnt het angstzweet van de vorige acties als sneeuw voor de zon. Ik probeer m’n gedachtes te ordenen, pak een mandje en gooi daar het eerste de beste product in dat ik tegen kom om zo min mogelijk op te vallen. Als eerste loop ik naar de diepvries voor een zak grote garnalen. Vaak zijn die niet aanwezig, in welk geval ik de supermarkt actie direct weer kan afbreken om de blootstelling aan deze omgeving tot een minimum te beperken. Een garnaalvervanger bedenken in deze drukke omgeving is sowieso uitgesloten. Ik kan nog net voorkomen dat ik, met het beeld van de easywok nog vers in het geheugen, uit automatisme de garnalen begin te tellen en draai behendig richting de groentenafdeling. Hier wordt het tricky. In de vrieskist sta je naar een blinde muur gericht, maar bij de groentetafels sta je recht tegenover de verzamelaars. Terwijl ik net doe of ik te stoned ben voor oogcontact grijp ik een paksoy en een paprika en maak rechtsomkeert. Van binnen juig ik. Tot zover gaat het goed en de rest is een makkie. Van tussen de stellingen grijp ik nog wat aanvullende zondag verblijders en loop nonchalant richting de kassa. Ik kijk nog even uit blinde nostalgie naar de plaats van herkomst van de garnalen, waarbij ik in een schok constateer dat ik recht in de ogen sta te kijken van een moeder die net een zak aviko uit de vriezer staat te trekken. De dreinende kinderen er nog naast, en de man, alsof hij het erom doet, zo hangend en verveeld mogelijk over het karretje gedrapeerd. Het zweet breekt me uit. Ineens zie ik in m’n hoofd in slow motion het trage proces der bereiding van de vele ingrediënten die ik zojuist heb buitgemaakt en zie ik ook, alsof ze er nooit eerder waren, de lange rijen clones van de avikofamilie voor de kassa’s staan en snap niet hoe ik ooit deze keuze heb kunnen maken. Snel maak ik hetzelfde rondje in tegengestelde richting om alles weer in de schappen terug te zetten alsof er nooit iets is gebeurd. Nu lijken de mensen ineens nóg langzamer door de supermarkt te lopen dan normaal. Met m’n spreekwoordelijke staart netjes tussen m’n benen gestoken maak ik dat ik er via de ingang snel weer uit kom. Het angstzweet is weer terug en de honger erger dan ooit tevoren. Ik slaak een diepe zucht. Wat moet je anders ?
Pizza Pino ! Schiet het me ineens te binnen. Het kleine stukje Sicilië in Leiden. Al direct bij het betreden, nog vóór het klinken van het traditionele ‘Bonasera’ uit de mond van de levensechte oude italiaan en vlak nádat ik de eerste vleugen authentieke italiaanse kruiden opsnuif, glijdt het plebs al van me af en blijft verloren op het trottoir achter. “Eén pizza siciliana met extra pepers en een kleine canoli.”, zeg ik alsof ik m’n leven niet anders gedaan heb. Vanonder z’n bril roept Pino hetzelfde, maar dan onverstaanbaar, naar z’n zoon achter in de keuken die direct zijn handen in het deeg steekt. Er komt een rust over me heen die nog zeker vijftien minuten zal aanhouden, dus ik heb hier ruim de tijd om op m’n gemak m’n favoriete maffia scenes in m’n hoofd af te draaien. Deze pizzeria is iets duurder dan de rest en alles wordt ter plekke met smaak bereid, dus hier ben ik wel even veilig. Eenmaal weer thuis gekomen trek ik de gordijnen dicht, steek een joint aan, zet een aflevering van de soprano’s aan en rol m’n pizza in stukken. Wat een jungle buiten, verzucht ik mezelf.