Af en toe bedenk ik me ineens dat het eigenlijk fokking bizar is dat wij hier zo zijn. Ik word als het ware plotseling op pauze gezet en kijk dan om me heen naar alles wat we gebouwd en verzonnen hebben en zie de bedrijvigheid van al die mensen die er bij kijken alsof het allemaal de gewoonste zaak van de wereld is, maar dat is het toch eigenlijk helemaal niet? Ik begrijp dan echt niet dat iedereen er zo normaal onder blijft, het zelfs niet eens op lijkt te merken en niet voortdurend met open mond van verbazing rond loopt, terwijl ik even daarvoor zelf ook nog tot de nietsvermoedende voorbijgangers behoorde.
In gedachten stel ik me dan voor hoe de aarde er zonder de mens uit had gezien, of ik denk aan een kale planeet, helemáál zonder leven. Ik richt mijn aandacht weer naar de buitenwereld en alles komt opeens surrealistisch op me over. Ik kijk als een buitenstaander naar m’n eigen wereld en raak overweldigd door alle kleine details van ons leven. Overal is aan gedacht en alles is uit ruwe grondstoffen opgebouwd. Gewoon uit de grond getrokken dus! Wegen, vangrails, bruggen, stations, huizen, steden, concertzalen, muziekinstrumenten, supermarkten, diepvriespizza’s….Het duizelt me.
Iedereen om me heen is druk bezig en lijkt compleet vergeten te zijn dat we door het universum suizen op een grote rots, die nog maar pas een aantal jaren geleden, na vele botsingen met andere stukken materie gevormd is. Materie die weer voortgekomen is uit een ontplofte zon en vervolgens samengeklonterd is tot ontzaglijk grote hompen steen en metaal, die na vele jaren van confrontaties nu eindelijk hun natuurlijke baan hebben gevonden en fragiel balanceren tussen de uitdijende kracht van de oer-explosie en de zwaartekracht van het dichtsbijzijnde nóg grotere object, dat op zijn beurt weer om een groot zwart gat draait, waar we nu zelfs nog maar weinig van snappen . . . . . .
Ik kijk op en zie dat het meisje achter de kassa me ongeduldig en geïrriteerd aan staat te kijken. “euh, ik wil pinnen”, zeg ik.
Ik doe net alsof er niks aan de hand is en trek, onder het genot van de boze blikken uit de lange rij achter me, mijn pas door de daarvoor bedoelde gleuf. ‘Ze moesten eens weten’, denk ik dolgelukkig en loop gauw weer naar buiten.