We dalen de trap af naar de schemerige doorgang. Achter me dooft het geluid van de zaterdagmiddagdrukte abrubt uit en vormt samen met het daglicht nog een laatste uitgerekte driehoeksvorm die ons naar binnen nawijst. M’n ogen moeten nog aan het donker wennen, maar als het ware zie ik, door alleen m’n reukorgaan te gebruiken, de kunstwerken al voor me . Er hangt een zijdezachte, lichtzure, brandstofachtige lucht. Ik ruik de kleuren van de verf waarmee ze ooit gemaakt zijn. M’n hersens maken de rest van het plaatje af. Langzaam mengen dan vervolgens m’n ogen zich weer in het reconstructie proces. Ik wacht al een derde van mijn leven om hier te komen kijken en nu ik hier ben, ben ik in hoogste staat van alertheid.
Een van hen is even groot als mij en loopt voor ons uit. Degene die naast me loopt is een stuk groter, maar weer stiller. De kleinste vertelt enthousiast over elk werk waar we voorbij lopen, en aanprijzend over datgene dat we verderop tegen zullen komen. Ik moet goed m’n best doen om nog wat te kunnen zien. Ik schop per ongeluk tegen een bus aan. Ik hoor de kogels rammelen en heen en weer rollen in het metaal. Het geluid sterft samen met de beweging langzaam weer uit.
Tijdens de flitsen heb ik heel even de tijd om in me op te nemen hoe het er écht uit ziet, zodat ik dat beeld in het donker weer over de vage gekleurde vlakken heen kan leggen. Soms heb ik zelfs de mazzel dat ik kan zien wat er staat, maar meestal neem ik genoegen met de contouren en de kleuren. Een flits is te kort en de stijlen hier te ingewikkeld. De outlines blijven door het felle licht nog even op m’n netvlies staan, maar vervagen dan snel. Ron neemt op z’n gemak foto’s terwijl de kleinste gedreven aanwijst en vertelt.
We dalen verder af. De groep wordt nu wat groter. Het wordt nog wat donkerder. Het licht heeft zichtbaar moeite om tot zover door te dringen. Ik kijk mark aan. Ongemakkelijk. In een flits zien we Ron nog altijd onbezorgd foto’s maken. We lopen weer verder, een volgende gang in. Nog meer mensen sluiten zich bij ons aan. Er wordt nu druk gepraat. Ik kan niet langer volgen waar het over gaat. Het klinkt hier hol. Echo’s weerkaatsen de verwarring. Gaat het nog over de tekeningen? Wie zijn al die mensen? Waarom lopen ze elkaar juist nu tegen het lijf? En waarom hier?
Naast me hoor ik ineens een kreet gevolgd door een fletse klap. Ik voel iets plat in m’n buik landen. Ik klap hard met mijn hoofd naar voren, en als in een katapult gevallen schiet ik weer terug naar achter, tegen de muur aan.
Ik kom weer bij. Glinsterend metaal prikt tegen m’n borstkas. Zoekende handen woelen door m’n zakken. Pijn trekt dwars door m’n hoofd. De nog altijd stille grootste kijkt me nu strak aan. De kleinste vertelt enthousiast dat hij nog op scherp staat van zijn taekwondo training van die middag. Hij praat alsof hij het nog steeds over de scherpe outlines van de graffiti’s heeft.
We worden meegenomen naar een open plaats. Hier is het licht. Ik kijk naar boven, maar kan net niks zien. Alleen beton en de blauwe heldere lucht. Ik hoor de vertrouwde geluiden van de waterloopleinmarkt, zo’n dertig meter boven me, over de railing van de brug naar beneden sijpelen. ‘Zo’n uitgebreid gangenstelsel hebben wij vast niet onder Leiden.’, bedenk ik me. Dit is de eerste keer in m’n 14 jarige bestaan dat ik op eigen houtje buiten mijn eigen stadsgrenzen ben.
Hoe lang zitten we hier nu al? Een uur? Anderhalf? Om maar wat te doen te hebben, en m’n gedachten niet te diep af te laten zakken, tel ik nogmaals het aantal gasten dat om ons heen staat. Negentien tel ik er weer. Ik merk dat ik tril en zwaar adem. De andere vijf komen nu met Ron en de tas met spuitbussen, die we veilig bij de marktkraam in bewaring hadden gegeven, weer terug.
We moeten verder lopen. Weer het donker in. Wij voorop en hun erachter. Als een omgekeerde kudde schapen. Ik besef dat dit het einde is. De buit is binnen en wij zijn nu waardeloos geworden. Ik ben bang. Weer in het pikkedonker gekomen, dalen we een trap af. We gaan een gang door . . . . aan het einde een deur . . . . er is ineens licht . . . té helder licht.
Met knipperende ogen staan we ineens midden op een perron van een metrostation. Zonder geld en zonder kaartje. De deur achter ons is weer dicht, alsof er nooit iets is gebeurd.